Vrijspraak en adoptie

Ook Arjan Gelderblom heeft een aantal posts geschreven over waarom we nog bidden om vergeving van zonden en schuld, als God ons als onschuldig ziet. Hij citeert Packer die onderscheid maakt tussen God als Rechter die ons heeft vrijgesproken en God als Vader die ons heeft aangenomen tot zijn kinderen. Als wij met het Onze Vader bidden om vergeving van onze schulden, dan bidden we dat als gerechtvaardigde zondaar en als aangenomen kind van God. Die positie raken we niet meer kwijt. Tegelijk zorgen onze dagelijkse gebreken ervoor dat het niet goed zit in de relatie tussen ons en onze Vader. Arjan schrijft:

Ik ben geaccepteerd in Christus. Ik kan niets toevoegen aan én niets afdoen van mijn identiteit als kind van God. En tegelijk zondig ik als geadopteerd kind. Voor die zonden bid ik ‘vergeef ons onze schulden’. Deze bede bidden we dus niet om zo weer hersteld te worden in ons kind-zijn van God. De bede ‘vergeef ons onze schulden’ bid je juist als aangenomen kind van God. In de Vader-kind relatie gaat er (vanuit de mens gezien) het nodige fout (zonden) en daarom zeggen we ‘sorry’ tegen Vader.

Hier de links naar de posts van Arjan:

Advertenties

De subjectieve kant van schuldvergeving

In mijn post Waarom nog schuld belijden? heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat er verschil is tussen de objectieve en de subjectieve kant van schuldvergeving. In deze post ga ik daar nog wat verder op in en dan met name op die subjectieve kant.

John Stott schrijft in zijn boek Het kruis van Christus op blz. 106: ‘Als de mens gezondigd heeft (en dat heeft hij) en als hij verantwoordelijk is voor zijn zonden (en dat is hij), dan staat hij schuldig tegenover God. Schuld is het logische vervolg van de vooronderstelling van zonde en verantwoordelijkheid.’ Objectief gezien staat iedereen schuldig voor God, omdat iedereen gezondigd heeft (Rom. 3:19,23). Schuldig staan betekent dat je – terecht – Gods straf verdiend hebt. God heeft echter een manier gevonden waardoor Hij mensen toch rechtvaardig kan verklaren (Rom. 3:25-26). Dat gebeurt zodra er bij iemand sprake is van waar geloof in Christus. Vanaf dat moment ziet God zo iemand als onschuldig.

Deze objectieve werkelijkheid is een gegeven en heeft daarmee een statisch karakter: zo is het. Maar er is ook een subjectieve kant. Daar bedoel ik ons geloofsleven mee, de vertrouwelijke omgang met de Here. Dat is dynamisch van karakter. Een christen kent in de praktijk van zijn leven momenten van terugval, van struikelen. Hij zal beseffen dat hij verantwoordelijk is voor zijn zonden en dat hij daarom schuldig is. Hij zal ervaren dat zijn zonden, zijn tekortschieten in de liefde, een afstand schept tussen hem en God. Er komt iets tussen God en hem in te staan. Maar een christen zal daar geen vrede mee hebben. Hij zal Gods aangezicht zoeken, berouw tonen, zijn zonden en schuld belijden en vergeving vragen. Als hij dit oprecht heeft gedaan, mag hij er ook weer van verzekerd zijn dat God hem ondanks zijn fouten als rechtvaardige blijft zien.

Dit betekent niet dat hij telkens weer bij ‘nul’ begint. Het betekent ook niet dat het belijden van schuld en het vragen om vergeving de grond is op basis waarvan het weer goed wordt met de Vader, want die grond is Christus’ werk. Het is wel de weg waarlangs dit gebeurt.

Ik vond op internet in een preek over Zondag 51 een passage waarin op deze subjectieve kant wordt ingegaan. Het is een preek van wijlen ds. Houtman van de Geref. Gemeenten. De taal is wat ouderwets, het is wat je een bevindelijk-schriftuurlijke preek kunt noemen, en volgens mij is de preek ook opgeschreven op basis van een geluidsopname, maar het geeft wel woorden aan wat ik bedoel:

Het kan ook niet, dat je zeggen zou: nu ja, mijn zonden zijn eenmaal vergeven en wat God vergeven heeft, dat vergeeft Hij voor eeuwig, dus ik hoef niet meer te bidden: Vader in de hemel, vergeef mij mijn schulden, want ik weet dat ik een “gerechtvaardigde” ben door God.
Ach, als u zo zou spreken, dan zou u daarmee openbaren de praktijk van het nieuwe leven niet te kennen. Want, hoewel het zeker waar is, dat, wanneer we eenmaal dat geloof hebben mogen beoefenen en Christus als onze Zaligmaker hebben mogen zien, Die in onze plaats aan het recht van God genoeg deed, dan zal God Zijn genade nooit verbreken en dan zal Hij Zijn Heilige Geest nooit meer van ons wegnemen, maar zou ons dat beletten om telkens weer opnieuw, als we gezondigd hebben, als de band gerekt is, als het gevoel van Gods genade zo verdonkerd is, zou ons dat beletten om opnieuw te bidden: Vader, maak het weer goed?
(…)
Als we enkel rationeel zouden weten, dat God onze schuld heeft vergeven en we gerechtvaardigd zijn door het bloed van Christus en we mochten nooit meer Gods vriendelijk aangezicht zien, we zouden sterven van verdriet. Want de verbergingen van Gods aangezicht zijn bitterder dan de dood, zegt onze belijdenis. Dat is de praktijk van de godzaligheid en daarom bidden wij gedurig of de Heere de toepassing van dat heil dat we in Christus hebben, telkens en telkens aan onze ziel vernieuwen en verlevendigen wil.

Ds. Houtman heeft het over de ‘praktijk van de godzaligheid’ en ‘de toepassing van [het] heil dat we in Christus hebben’. Dat is wat ik bedoel met de subjectieve kant. Verder haalt hij een zinsnede aan uit de Dordtse Leerregels H. 5, art. 13. Ik zou willen zeggen: lees dat hele hoofdstuk maar eens rustig door. Op een mooie en bevindelijke manier (in de goede zin van het woord) gaat het daar over de praktijk van de omgang met onze Vader.

Waarom nog schuld belijden?

In 2008 hield John Piper een preek over psalm 51 onder de titel Een verbroken en verslagen hart zal God niet verachten. David maakte die psalm nadat Nathan hem op zijn zonde met Bathseba had gewezen. In zijn preek laat Piper zien hoe een christen op de juiste manier gebukt gaat onder schuld.

Eerst gaat Piper in op hoe ontzagwekkend en verbazingwekkend het is dat God Davids zonde heeft weggenomen (2 Samuel 12:13). David, de man naar Gods hart, is een overspeler, misschien een verkrachter, en een moordenaar! God kan hier toch niet zomaar aan voorbijgaan? Piper wijst dan op Romeinen 3:25 waar staat dat God in vroegere tijden aan de zonden is voorbijgegaan, omdat Christus het zoenmiddel zou worden. Davids geloof in Gods barmhartigheid verenigt hem met Christus. Zo wordt Davids zonde gerekend als die van Christus en Christus’ gerechtigheid wordt gerekend als die van David, en is het rechtvaardig dat God aan zijn zonde voorbijgaat. In Gods ogen is hij onschuldig.

Piper gaat dan verder: ‘Nu is dit de objectieve werkelijkheid van hoe Davids zonde wordt vergeven en hoe hij wordt gerechtvaardigd in de tegenwoordigheid van God. Maar wat Psalm 51 beschrijft is wat David voelde en dacht toen hij zich vastklampte aan Gods barmhartigheid. Sommigen zeggen misschien dat christenen na de dood van Jezus niet op deze manier bidden en schuld belijden. Ze zouden niet op deze manier moeten denken en voelen. Ik denk niet dat dat juist is.

Jezus kocht, voor eens en voor altijd, door zijn leven en dood, onze vergeving en heeft voorzien in onze gerechtigheid. Wij kunnen daar niets aan toevoegen. Wij delen in de vergeving en de gerechtigheid door geloof alleen. Maar in het licht van de heiligheid van God en het kwaad van de zonde, is het gepast dat wij wat Hij voor ons heeft gekocht, door gebed en schuldbelijdenis ons toeëigenen en toepassen. “Geef ons deze dag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden, zoals wij ook onze schuldenaren vergeven hebben” (Mattheüs 6:11-12). Dagelijks bidden om brood, omdat Hij beloofd heeft te voorzien in elke behoefte; dagelijks door gebed de vergeving ons toeëigenen, omdat het volledig gekocht en veilig gesteld is voor ons, door de de dood van Jezus.

Psalm 51 is de manier waarop Gods mensen denken en voelen over de verschrikkingen van hun eigen zonde. Dit is een psalm over hoe je op de juiste manier verbrijzeld moet zijn onder je zonde.’

Lees vooral de hele preek van Piper, om te zien hoe David zijn gedachten en gevoelens uitwerkt in Psalm 51 en hoe wij daar van kunnen leren. Maar voor nu wil ik zeggen: het punt waar het om gaat is wat de ‘toeëigening van het heil’ wordt genoemd. Wat Christus voor ons verdiend heeft, wat wij in Hem hebben – namelijk de vergeving van de zonden -, moet in geloof en gebed en erkennen van zonde en schuld, ons door de Heilige Geest worden toegeëigend, en aan ons worden toegepast.

Ontneem het jezelf dus niet om Gods licht over de lelijkheid, de onreinheid en de verdorvenheid van je zonde te laten schijnen en doe schuldbelijdenis. ‘De offers voor God zijn een gebroken geest’ (Ps. 51:19). Je relatie met Christus wordt erdoor verdiept. En verbaas je erover dat God er alles aan gedaan heeft om jou in Christus als onschuldig te zien.

Ik ben/word nu/zal worden gered

Als het gaat om je redding, je behoud door Jezus, hoe kijk je daar dan tegenaan? Als een gebeurtenis die in het verleden ligt? Of zie je het als iets dat nog staat te gebeuren? (Het gaat me nu niet om de situatie van iemand die er onzeker over is of hij of zij wel gered is, of ooit gered zal worden.) Ik denk dat de meeste christenen hun redding zien als iets dat al heeft plaatsgevonden. En het is ook niet verkeerd om dat zo te zeggen. Alleen vraag ik me wel af hoeveel christenen er zich bewust van zijn dat ze ook in de toekomst nog gered moeten worden.

De Bijbel spreekt namelijk op drie manieren over ons redding (of: behoud, of zaligheid).

  1. Wij zijn gered (Ef. 2:8); het gaat dan om onze rechtvaardiging, denk bijv. aan Rom. 5:1.
  2. Wij worden nu gered (in het Engels: are being saved) (1 Kor. 1:18); het gaat hier om een proces, namelijk onze heiliging.
  3. Wij zullen worden gered (Hand. 15:11); dit betreft onze verheerlijking.

Ik denk dat het goed is om deze dingen te onderscheiden. Bij punt 1 kijken we met dankbaarheid terug. Tegelijk is God nu met ons bezig. Hij is ons aan het heiligen, Hij maakt ons rein en vernieuwt ons van dag tot dag (2 Kor. 4:16). En in de toekomst hoeven we niet te vrezen voor Gods oordeel. Hij gaat ons helemaal volmaakt maken en we zullen volmaakt gelukkig zijn, voor eeuwig.

De Wet?

ten-commandmentsGisterochtend preekte ds. Holtland over de plaats van de Wet in ons leven aan de hand van Zondag 34 uit de Heidelbergse Catechismus. Daarbij lazen we Matteüs 5:17-20 en Galaten 5:1-14. Veel mensen vragen zich tegenwoordig af of wij als verloste mensen nog wel wat met de geboden moeten. ‘De 10 geboden zijn toch Oud-Testamentisch? En in die geboden lijkt God veel strenger dan in het Nieuwe Testament.’ Ds. Holtland liet zien dat God juist ook in de Wet een God van liefde is.

Dat blijkt meteen al uit het eerste gebod: ‘U zult voor mijn aangezicht geen andere goden hebben.’ Je kunt ook zeggen: God kan het niet aanzien dat wij het met iets of iemand anders houden. Dat is de taal van de liefde. Van Iemand die terecht jaloers is. Vergelijk het met een jongen en een meisje die verkering hebben. Het zou raar zijn als zo’n jongen zou zeggen: ‘Het maakt mij niets uit als mijn vriendin af en toe met een andere jongen zoent.’ Dan zou er geen sprake zijn van echte liefde.

God heeft ons werkelijk lief. Hij heeft ons verlost door Zijn Zoon voor ons te geven. Hij weet hoe makkelijk wij door iets of iemand anders beheerst worden. Wij mogen van alles hebben als het ons maar niet heeft. Zo kan zelfs iets wat in zichzelf goed is, ons zo in de greep krijgen dat God in Christus niet meer de eerste plaats in ons leven inneemt. Hij staat dan niet meer in het centrum van ons leven.

Dat kan ook gebeuren als je bevrijd bent door Christus. Paulus zegt niet voor niet in Galaten 5:1 (HSV): ‘Sta dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet weer met een slavenjuk belasten.’ Het is dus mogelijk dat wij als vrijgemaakte mensen niet vast staan, maar ons weer laten belasten door een slavenjuk. Als ons leven beheerst wordt door ons huis, onze tuin, onze auto, onze boot, onze vakanties, ons werk, onze sport, onze hobbies, dan leveren we dus onze vrijheid weer in. Maar daarvoor zijn we niet vrijgemaakt! We zijn vrijgemaakt om lief te hebben (Galaten 5:13-14).

Vorig jaar heb ik ook eens geschreven over verwarring m.b.t. de wet. In die post vind je een link naar een preek van John Piper over de plaats van de wet. Een aanrader!

Verwarring over de wet

In het verleden heb ik er zelf ook wel mee geworsteld: ‘Wat moeten wij, christenen die leven van genade, nog met de wet? Waarom lezen we elke zondagmorgen de tien geboden? Kan ik Psalm 119 wel zingen?’ Deze en soortgelijke vragen leven bij veel mensen. Op diverse discussie-fora wordt er gediscussieerd over de wet en de genade en hoe deze twee zich tot elkaar verhouden (zie bijv. de discussie ‘Wet en genade‘ op forum.gkv.nl).

Afgelopen week vond ik op desiringGod.org een preek van John Piper met de titel Why the Law Was Given (Waarom de wet werd gegeven). Hij gaat in op de verwarring die we kunnen ervaren als we enerzijds lezen: ‘Gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade’ (Romeinen 6:14) en anderzijds: ‘Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet’ (Romeinen 3:31).

Ik vind deze preek zo verhelderend dat ik er een vertaling van heb gemaakt. Je kunt hem hier als PDF downloaden.

Zending en uitverkiezing

LichtstralenVanmorgen las ik op de opiniepagina van het het Nederlands Dagblad een artikel met de titel Zending werkt niet zonder uitverkiezing. Jacob Kruidhof – geëmeriteerd zendeling/predikant in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – gaat in op de vraag: ‘hoe kunnen mensen een echte partij zijn’ in het verbond met God? Hij antwoordt daarop:

De gereformeerde leer zegt: de menselijke inbreng is niet slechts bezoedeld en kwetsbaar, maar vanuit de totaal verdorven aard van de mens onmogelijk. Maar wat onmogelijk is bij mensen, is mogelijk bij God. Alle mensen zijn zondaren, helemaal (Romeinen 3:10-18). Maar God is zo barmhartig, en de liefde die Hij voor ons heeft opgevat is zo groot, dat Hij ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend heeft gemáákt (Efeziërs 2:4; Dordtse Leerregels III/IV,11). (…) En onderdeel van Gods werk is dat Hij zijn tegenpartij, zijn counterpart, ook maakt tot een echte partij die gebracht wordt tot echt en zuiver meedoen. Met een volkomen zuiverheid die God geeft, beginnend in dit leven, en voltooid na dit leven.

Het is allemaal Góds werk dus. Ja, ik weet dat de Bijbel ook spreekt over onze verantwoordelijkheid. Er wordt krachtig opgeroepen om te geloven, om het evangelie van Jezus Christus aan te nemen. Maar het wonderlijke is dat God juist door die verkondiging van het evangelie heen gesloten harten opent, en mensen die geestelijk dood zijn lévend maakt. Iemand die tot geloof gekomen is, kan zich dan ook nooit beroemen op zijn keuze voor God. Nee, ook het geloof is een gave van God (Efeze 2:8, Filippenzen 1:29). Alle eer is dus voor Hem!

Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing; opdat, zoals geschreven staat: ‘Wie roemt, laat hij roemen in de Heer’.
1 Korintiërs 1:30-31 Telos