Man van Smarten

Hoe ik er precies aan gekomen ben, weet ik niet meer. Het staat in ieder geval al een aantal jaren in mijn boekenkast. Maar ik was er nog steeds niet in begonnen. Man van Smarten heet het, deel 2 om precies te zijn, van ds. C.J. Hoekendijk. Voor zover ik heb kunnen nagaan gedrukt in 1948.

Afgelopen week ben ik er dan toch eindelijk in begonnen. In deze adventsperiode voelde ik behoefte om me duidelijk te richten op Jezus. En dit boek blijkt een geweldig hulpmiddel! Wat een rijkdom wordt er door en in dit boek over Jezus opgediept, uit die voor mij zo bekende lijdensgeschiedenis! Het is alsof je met een vergrootglas inzoomt op allerlei details en personen en gebeurtenissen rondom en tijdens het lijden en sterven van Jezus. Ja, het is alsof je er zelf bij bent. Het is confronterend, het is verbazingwekkend, je wordt stilgezet, je wordt bepaald bij de ernst en diepte van de zonde, en je krijgt zicht op de geweldig diepe liefde van Jezus voor zondaren. Jezus is voor mij opnieuw mooier en waardevoller en heerlijker geworden!

Hoewel het boek is geschreven in een wat ouder taalkleed, is het toch heel goed te lezen. Heel af en toe moet ik even fronsen, merk ik ook dat het toch wat tijdgebonden is, maar over het algemeen is de boodschap tijdloos.

Een boek als dit moet je even proeven. Daarom hieronder een fragment uit hoofdstuk 17, Jezus, de Kruisdrager (I). In dit hoofdstuk gaat Hoekendijk in op vier aspecten van het kruisdragen van Jezus:

I. Hij droeg het tot ons heil;
II. Hij droeg het uit liefde tot ons;
III. Hij droeg het omdat het de wil des Vaders was;
IV. Hij droeg het, opdat de Schrift zou vervuld worden.

Hieronder vind je wat Hoekendijk schrijft over het tweede punt, dat Jezus het kruis droeg uit liefde voor ons.

Dat brengt ons al dadelijk tot onze tweede gedachte, dat Jezus het kruis droeg, omdat Hij ons zo nameloos lief had.

“Wat deed uit ’s hemels zalen,
O, Heer der heerlijkheên!
Op aard’ U nederdalen?
Uw grote liefd’ alleen,
Uw eindeloos erbarmen
Met onze grote nood,
Dat als met zeegnend’ armen,
En reddend ons omsloot!”

Daar moet grote nadruk op worden gelegd, opdat de zondaar nooit naar een reden in zichzelf zou gaan zoeken, waarom hij zou worden gered.
Daar moet ook grote nadruk op worden gelegd, opdat geen zondaar beschroomd van verre zou blijven staan, omdat hij in zich geen enkele pleitgrond kan vinden.
Daar is geen andere pleitgrond voor de zondaar, dan de liefde Gods. Ik begrijp het niet waarom God ons lief heeft en ik zal het tot in eeuwigheid niet begrijpen, doch het is zo: “God heeft in de mens behagen”.
Dat hebben de engelen gezongen in Bethlehems velden.
Dat heeft Jezus zelf verklaard aan Nicodemus in die nacht, toen deze tot Hem kwam om over het Koninkrijk Gods te spreken.
Dat heeft Johannes getuigd in zijn brief, toen hij dat majesteitelijke woord neerschreef: “Want God is liefde”.
Dat hebben de zondaars ervaren, als zij met God in aanraking kwamen.
Dat is dan ook tot in eeuwigheid de enige grond, waarop wij pleiten kunnen.
Achter die Kruisdrager naar Golgotha zat de geweldige drang der goddelijke liefde, die natuurlijk ook Zijn hart vervulde.
Trouwens, geen enkele andere drang zou ook sterk genoeg zijn geweest om zulk een taak te volbrengen, zulk een kruis te dragen, zulk een kruisweg te gaan. Tot zo iets kan alleen goddelijke liefde in staat stellen. “Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet, wat Ik u gebied”. “Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven – maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven – God echter bewijst Zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaars waren, voor ons gestorven is” (Rom. 5:7-8).
Die goddelijke liefdedrang dreef Jezus naar Golgotha heen.
Wie zo die Kruisdrager ziet, die ziet Hem met een hemels licht omstraald en als de wereld zegt, dat er geen gedaante of heerlijkheid aan Hem was, dat wij Hem zouden begeerd hebben, dan jubelen wij het uit, dat Hij toen juist stond in de hemelgloed der goddelijke liefde.

“Dat heet goddelijk’ ontferming,
Dat genade, rijk en vrij!
God schenkt redding, schenkt bescherming,
Schenkt z’aan zondaars, schenkt z’ook aan mij”.

Advertenties