Oorlogstijd

vreugdevangod.jpg“Duizenden christenen horen niets van de duivelse bommen die vallen en van de kogels die hun om de oren fluiten. Ze ruiken niets van de helse napalm die wordt uitgegooid over de witte wereldoogst. Ze krimpen niet ineen en huilen niet om de duizenden mensen die wekelijks te gronde gaan. Zij houden geen rekening met kwade geestelijke machten in de hemelse gewesten en met de wereldbeheersers van deze duisternis. Er is helemaal geen duisternis, zeggen zij. Het is stralend licht, een en al vrolijkheid – kijk maar naar mijn huis, mijn auto, mijn werk, mijn caravan en mijn boot. Luister maar naar mijn nieuwe stereo-installatie en kijk maar naar mijn nieuwe dvd-speler.”

John Piper in De vreugde van God, blz. 227.

Advertenties

Waarom moest Jezus sterven?

waarom_moest_jezus_sterven.jpgIn deze tijd, zo in de week van Goede Vrijdag, wil ik me specifiek richten op het lijden en sterven van Jezus, en probeer ik er bij stil te staan wat er daar, op Golgotha, een kleine 2000 jaar geleden, is gebeurd. Wat heeft de dood van Jezus Christus voor ons bewerkt?

Het boekje Waarom moest Jezus sterven? van John Piper is daarbij een mooi hulpmiddel. Hij heeft daarin 50 redenen, of beter gezegd: bedoelingen, van het lijden en sterven op een rijtje gezet. (Als je het engels machtig bent, dan kun je dit boekje hier gratis lezen.) Hieronder de eerste reden die John Piper beschrijft:

Christus leed en stierf…
om de toorn van God op zich te nemen

Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden, want er staat geschreven: Vervloekt is ieder die aan een hout hangt
Galaten 3:13

Hem heeft God openlijk aangewezen als middel tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed. Dit was om Zijn gerechtigheid te bewijzen met het oog op de vergeving van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.
Romeinen 3:25

Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden.
1 Johannes 4:10

Als God niet rechtvaardig was, zou het lijden en sterven geen vereiste zijn geweest voor Zijn Zoon. En als God niet liefdevol was, zou Zijn Zoon niet de bereidheid hebben gehad om te lijden en te sterven. Maar God is zowel rechtvaardig als liefdevol. Daarom is Zijn liefde bereid te voldoen aan de eisen van Zijn rechtvaardigheid.

Gods wet eist: ‘Daarom moet u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw kracht’ (Deut. 6.5). Maar wij houden allemaal meer van andere dingen. Dat is dus zonde: God onteren door niet Hem op de eerste plaats te laten komen in ons leven, maar andere dingen en dat we daar ook naar handelen. Daarom staat er in de Bijbel: ‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’ (Rom. 3:23). Wij verheerlijken datgene waarvan we het meest genieten. En dat is niet God.

Zonde is niet iets onbeduidends, omdat we niet zondigen tegen een onbeduidende Koning. Hoe hoger de status van de beledigde persoon, des te ernstiger de belediging. Het is beneden Zijn waardigheid wanneer we de Schepper van hemel en aarde niet oneindig veel respect, bewondering en trouw tonen. Wie Hem niet liefheeft, maakt zich niet schuldig aan een onbeduidend vergrijp, maar aan verraad. God wordt erdoor te schande gemaakt en menselijk geluk wordt erdoor kapotgemaakt.

Omdat God rechtvaardig is, kan Hij deze zonden niet bedekken met de mantel der liefde. Ze wekken bij Hem een heilige toorn op. Ze moeten bestraft worden. ‘Want het loon van de zonde is de dood’ (Rom. 6:23). ‘De ziel, die zondigt, die zal sterven’ (Ezech. 18:4).

Er rust een heilige vloek op alle zonden. Die niet bestraffen, zou onrechtvaardig zijn. De vernedering van God zou erdoor onderstreept worden. De wereld zou dan in wezen geregeerd worden door een leugen. Daarom zegt God: ‘Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet bevestigt door ze ook te doen!’ (Gal. 3:10; Deut. 27:26).

Maar de liefde van God berust niet in de vloek die alle zondige mensen boven het hoofd hangt. Het schenkt Hem geen voldoening blijk te geven van zijn toorn, hoe heilig die ook is. God stuurt Zijn eigen Zoon om Zijn toorn weg te nemen en de vloek te dragen voor iedereen die zijn vertrouwen stelt op Hem. ‘Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden’ (Gal. 3:13).

Het woord ‘verzoening’ (Rom. 3:25) verwijst naar het wegnemen van Gods toorn door er iets anders voor in de plaats te stellen. God voorzag daar Zelf in door Jezus Christus te zenden als plaatsvervanger. Christus haalt niet slechts een streep door de toorn; Hij laat die op Zichzelf neerkomen in plaats van op ons. Gods toorn is rechtvaardig; ze werd uitgegoten, niet weggenomen.

Laten we ons ervoor hoeden dat we God niet serieus nemen of Zijn liefde bagatelliseren. We raken pas diep onder de indruk van Gods liefde voor ons als we ons rekenschap geven van de ernst van onze zonden en de rechtvaardigheid van Zijn toorn. Daar staat tegenover dat, wanneer we uit genade beseffen hoe onwaardig we zijn, we dankzij het lijden van Jezus kunnen zeggen: ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden’ (1 Joh. 4:10).

John Piper, Waarom moest Jezus sterven?, blz. 23-25.

Niet bidden om bekering van joden?

MenoraIn het ND van vandaag staat op de opiniepagina een artikel met de titel ‘Niet weer bidden om bekering joden‘ van de hand van Marcel Poorthuis, docent master wereldreligies aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg. Het ND geeft kort weer wat Marcel Poorthuis wil zeggen: “Paus Benedictus XVI heeft recentelijk het vieren van de oude liturgie van vóór 1960 toegestaan. Daardoor bidt de Rooms-Katholieke Kerk op Goede Vrijdag weer voor de bekering van de joden. En dat is ontoelaatbaar, vindt theoloog Marcel Poorthuis.”

Toen ik de kop las, dacht ik: ‘Niét bidden om bekering van de joden? Juist wel!’ Ik wilde graag weten op welke gronden de schrijver tot zijn stelling komt. Hij baseert zich onder andere op een uitspraak die curiekardinaal Walter Kasper in 2001 deed:

“Missie in de betekenis van zich afwenden van afgoden tot de ene ware God kan niet gebruikt worden in relatie tot het jodendom”, aldus de kardinaal. Vandaar dat de Rooms-Katholieke Kerk geen bekeringsactiviteiten ten aanzien van het jodendom onderneemt.

Even later geeft Marcel Poorthuis ook een interpretatie van Romeinen 11:26:

Volgens Paulus zal ‘heel Israël’ gered worden, maar pas nadat alle heidenen in de gemeente van Christus zijn ingegaan (Romeinen 11:26). Is dat dan pas urgent als heel de wereld christen is geworden? Zo ja, dan is het géén oproep tot bekering van de joden.

Als ik deze dingen lees, dan schrik ik. Wat Walter Kasper zegt lijkt op het eerste gezicht wel waar, maar er valt meer te zeggen. Want wat zijn afgoden? Zaken waar je je vertrouwen op stelt. En hoe wil de ene ware God gekend worden? Ik zou willen zeggen: Bekering is je afwenden van het duister naar het licht. En het licht van de ene ware God is ‘de glans … van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is’ (2 Kor. 4:4 ). Zo openbaart God zich. Zo laat Hij zijn licht schijnen. Een paar verzen eerder schrijft Paulus juist over Joden bij wie ‘er een sluier over hun hart’ ligt. Die sluier wordt verwijdert ‘als iemand zich bekeert tot de Heer’ (2 Kor. 3:15-16).

En als je Romeinen 11:26 zo wil interpreteren dat heel het Joodse volk gered zal worden nádat alle heidenen in de gemeente van Christus zijn ingegaan, dan wil dat nog niet zeggen dat je nú niet voor ze hoeft te bidden.

Verder lees ik bij Paulus hoezeer hij begaan was met het Joodse volk, zijn broeders, zijn lijfelijke verwanten. In Romeinen 9 schrijft hij bijvoorbeeld: ‘in mijn hart is grote droefheid en een pijn die niet ophoudt. Waarlijk, ik zou wensen zelf vervloekt en van Christus gescheiden te zijn, als ik mijn broeders, mijn lijfelijke verwanten, daarmee kon helpen’ (vers 2-3). In vers 31-32 laat Paulus zien wat de kern van het probleem is: ‘Israël, met al zijn ijver voor de wet van de gerechtigheid, heeft het doel van de wet niet bereikt. En waarom? Omdat zij meenden te kunnen steunen op hun daden, en niet op het geloof.’ Bekering is dus: niet langer steunen op je eigen daden (die, als je dat wel doet, een afgod worden) en geloven in God, je vertrouwen op Hém stellen.

Tot slot wijs ik op Romeinen 10:1-4:

Broeders en zusters, het is mijn vurige wens en ik bid tot God dat zij gered worden. Ik getuig dat zij godsdienstige ijver hebben, maar het is ijver zonder inzicht. Met hun miskenning van Gods gerechtigheid en hun pogen een eigen gerechtigheid op te richten, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen. Want Christus is het doel van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.

Niet bidden? Paulus deed het! En dat impliceert bekering. Bekering van de afgod van de eigen gerechtigheid, naar Christus toe, ‘die van Godswege onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, onze heiliging en verlossing.’ (1 Kor. 1:30). Als Paulus bad, wie ben ik dan om dat niet te doen?

Aangehaalde teksten geciteerd uit de Willibrordvertaling 1995