De vakantie zit er al weer even op. Het ‘gewone leven’ is weer begonnen: het werk weer opgepakt, de kinderen gaan weer naar school. Ook het kerkelijk seizoen is weer begonnen, de eerste kerkenraadsvergadering is al weer geweest.
Voor mij is deze tijd zo na de zomervakantie altijd een beetje een tijd van dubbele gevoelens: terugkijkend op een mooie periode van rust, van even niet zoveel moeten, genieten van het gezin, van het buitenleven, van de natuur, ga je weer aan de slag, begin je op een bepaalde manier opnieuw. Daar zit een gevoel van weemoed in, van er een beetje tegen opzien ook, maar ook wel uitzien naar datgene wat komt: de tijd van herfst met zijn mooie, bonte kleuren, de winterperiode met zijn huiselijkheid, het gemeenteleven in de kerk, het bezoeken van mensen, het zien en je verwonderen over wat God geeft en doet.
Dat laatste raakt ook het thema waar we dit seizoen als gemeente bij stil zullen staan: Wonderen van vroeger. Dat houdt in: ons verdiepen in een aantal momenten in de kerkgeschiedenis die we mogen zien als een wonder van God. In de huisbezoeken hopen we die lijn ook door te trekken naar ons persoonlijk leven: wat is er in ons leven gebeurd dat we een wonder van God mogen noemen? Het doel is daarbij niet de aandacht op onszelf of ons eigen leven te vestigen, maar op onze Gód. Het met elkaar delen van deze ervaringen heeft als doel dat we Gód daarvoor (leren?) danken. Dat we Hém prijzen en eren voor zijn liefde en genade!
Wat zal ik de HEERE vergelden
voor al Zijn weldaden die Hij mij bewees?
Ik zal de beker van de verlossingen opheffen
en de Naam van de HEERE aanroepen.
Psalm 116:12-13 HSV