Ik had in mijn vorige post beloofd wat citaten te geven uit het boek God is het Goede Nieuws van John Piper. Vandaag wil ik wat citeren uit de inleiding. Daarin stelt Piper best confronterende vragen, die je even op je moet laten inwerken:
Wie ten volle gericht is op de God van de Bijbel en echt gelooft in het Evangelie, kan de proef op de som nemen: voel je je geliefd, omdat je in aanzien staat bij God of omdat Hij jou ten koste van Zijn Zoon de kracht geeft om Hem hoog in aanzien te stellen? Ben je gelukkig omdat het kruis van Christus van jouw grootheid getuigt of omdat je daardoor voor altijd van Gods grootheid mag genieten? Is Gods heerlijkheid het fundament van je blijdschap?
Dit zijn vragen om eens goed bij stil te staan. Ik vond ze geweldig ontdekkend en eerlijk gezegd ben ik niet zo blij met wat ik daarbij voel. Want als ik diep in mijn hart kijk, dan kom ik daar een deel van mezelf tegen dat door God geliefd wil worden om wie ik van mezelf ben. En dat deel van mezelf wil door God gewaardeerd worden om wat ik kan. Ergens is het niet vreemd dat ik dit bij mezelf opmerk. John Piper zegt daarover namelijk:
Het trieste is dat kerk en cultuur doortrokken zijn van ideeën over liefde waarin de mens het stralende middelpunt is. Wij leren onze kinderen van het moment dat ze kunnen lopen dat liefde hetzelfde is als aanzien. Deze opvatting van liefde vormt de basis van allerlei pedagogische filosofieën: lesmethoden, opvoedingstechnieken, therapieën en verkoopstrategieën. De meeste moderne mensen zijn nauwelijks in staat om liefde te onderscheiden van aanzien. Als ik niet bij jou in aanzien sta, dan houd je niet van mij.
Een bladzijde verder schrijft hij:
Wij maken een grote fout wanneer we geloven dat geluk hetzelfde is als aanzien. Bevesting voelt zo goed. Maar dat goede gevoel komt uiteindelijk voort uit eigendunk en niet uit Gods grootheid. Deze weg naar geluk is een illusie. En daarvoor zijn aanwijzingen genoeg. In ieder mensenhart zijn aanwijzingen, zelfs voordat iemand zich bekeert. Een van die aanwijzingen is dat geen mens naar de Grand Canyon of naar de Alpen gaat om zijn eigen aanzien te vergroten. Bij het zien van zulke geweldigen diepten en majestueuze hoogten gebeurt er iets heel anders. En toch gaan we erheen en worden we er blij van. (…) Op die wonderlijke momenten van verlichting klinkt er een getuigenis op in ons hart: geestelijke gezondheid en groot geluk krijgt je niet door naar de je eigen grootheid te kijken, maar door oog te krijgen voor een veel grotere glans.
Die glans vinden we in het Evangelie. 2 Korinthe 4:4 en 6 spreken over ‘de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus’. Uiteindelijk gaat het om Hem. Ik dank God, dat Hij mij de ogen heeft geopend voor die lichtglans, want naast dat ene deel van mezelf waar ik het net over had, kom ik in mijn hart ook een ander deel van mezelf tegen. Dat deel van mij stemt er volledig mee in dat het niet om mij gaat, maar om God en wat Hij voor mij en aan mij deed en doet.